Heel even maar bestaan een jij, een ik. Even is er het idee dat oneindigheid eindig is, een eerste en laatste hoofdstuk.

Maar ‘ik’ is nooit los, nooit alleen. ‘Ik’ is een uitdrukking van alles, van tijdloos, van oneindig. Een golf in de oceaan, windvlaag in de lucht, klank in een meesterwerk van Beethoven, bladzijde in een oneindig verhaal. 

Vanuit dat perspectief is niets geboren, noch eindigt het ooit. Zelfs morgen, of leven na de dood, is hooguit voor dit ik van belang. Het maakt voor de windvlaag niet uit of de volgende windvlaag dezelfde is, of een andere. Het is altijd lucht die beweegt, de stroming die nu is.

Hier,
onder de zon,
onder de maan,
is ik, is alles.

Aan het water,
kijkt iets,
in het niets,
of andersom.

Steeds is dit,
wetend,
onwetend,
is ik, is alles.